Water is nodig bij de fotosynthese en bij tal van andere scheikundige processen in de plant. Levende cellen bestaan voor meer dan 80% uit water. Het is ook het oplosmiddel voor mineralen- en suikertransport. Te veel water moet echter vermeden worden. Een verstoorde watervoorziening (zowel te veel als te weinig water) is een van de meest voorkomende standplaatsproblemen van bomen. Vaak zijn problemen met de waterhuishouding gerelateerd aan andere standplaatsproblemen, zoals bodemverdichting of onvoldoende doorwortelbaar bodemvolume.

Vochtkarakteristieken van de bodem
Bomen zijn voor hun watervoorziening aangewezen op de bodem waarin ze groeien. Water en lucht vullen de poriën tussen de bodemdeeltjes, samen is dat ongeveer de helft van het bodemvolume. Het poriënvolume is afhankelijk van de textuur en de structuur van de bodem. Structuurrijke, fijne gronden hebben een groter poriënvolume dan een bodem met een grove textuur. Voor de waterhuishouding is niet zozeer het totale poriënvolume van belang, wel de grootteverdeling van de individuele poriën. Grote poriën zorgen voor een sneller watertransport en een goede verluchting. Kleine poriën houden water vast tegen de zwaartekracht in. Beide zijn nodig voor een goede waterhuishouding. Als alle poriën gevuld zijn met water is de bodem waterverzadigd. Alle bodemlucht is dan verdrongen door water. Als er geen water meer bijkomt, kan het water vrij draineren onder invloed van de zwaartekracht doorheen de grotere poriën, de niet-capillaire poriën. De toestand van de bodem na deze vrije drainage noemen we de veldcapaciteit. De niet-capillaire poriën zijn dan gevuld met lucht, de bodem is als het ware ‘uitgelekt’. Deze toestand komt vaak voor aan het begin van het groeiseizoen. Het water dat dan nog aanwezig is, wordt tegen de zwaartekracht in vast gehouden in kleine poriën, de capillaire poriën, of op het oppervlak van de bodemdeeltjes. Dit is het capillair water. Daarvan is ongeveer de helft beschikbaar voor de plant. Naarmate planten meer water opnemen, wordt het water uit steeds kleinere poriën opgenomen en wordt de waterfilm op de bodemdeeltjes zodanig dun dat de planten op een gegeven moment de zuigkracht waarmee het water in de bodem wordt vastgehouden niet meer kunnen overwinnen. De bodem heeft op dat moment het verwelkingspunt bereikt. Er is dan nog steeds water aanwezig in de bodem, maar het is niet meer beschikbaar voor planten. Het watervolume tussen veldcapaciteit en verwelkingspunt is het beschikbare water voor plantengroei. Ook het water uit de niet-capillaire poriën is in principe beschikbaar voor de boom, voor zover hij dit kan opnemen voor het weg gedraineerd is. Het watergehalte van een bodem bij veldcapaciteit of het verwelkingspunt en de hoeveelheid beschikbaar water zijn karakteristiek voor elke bodem. Vochtgehaltes van de bodem geven dus niet echt een beeld van de hoeveelheid water die voor de boomgroei beschikbaar is.

Vochtkarakteristieken van verschillende bodemtypes. (naar Harris)