Stam en takken

Bomen onderscheiden zich van andere planten door hun ‘skelet’ dat wordt gevormd door een stam en takken. Deze stam dient uiteraard om hun bladeren hoog boven die van andere planten uit te tillen in hun strijd om licht. Maar daarnaast zorgt de stam er ook voor dat water van de wortels tot bij
de bladeren raakt en dat voedsel over de hele boom verspreid raakt om alle delen, ook de wortels, in leven te houden. De stam is echter zoveel meer dan een buis die beide uiteinden van de boom met elkaar verbindt.

Als we een stam laag per laag van buiten naar binnen afpellen, dan komen we achtereenvolgens volgende
lagen tegen:

Schors

Dit is een lucht- en waterdichte laag die het onderliggende weefsel beschermt tegen invloeden van buitenaf. Niet alleen beschermt de schors de boom tegen gure weersomstandigheden, maar ook tegen een invasie door allerlei organismen, gaande van bacteriën en schimmels tot insecten en zelfs zoogdieren. De schors bestaat aan de buitenkant uit kurkcellen die worden gevormd vanuit
een delende cellaag, het fellogeen of kurkcambium. De schors heeft dus nooit een geleidingsfunctie gehad. Er is geen scherpe grens tussen de eigenlijke schors en afgestorven, verhoute floëemcellen.

Bast (floëem)

Dit is een dunne laag en bestaat uit levend weefsel. Het floëem staat in voor het transport van voedingsstoffen van de bladeren naar de rest van de boom, hoofdzakelijk neerwaarts. Soms kan in het floëem een omgekeerde sapstroom vanuit de opslagweefsels optreden, bijvoorbeeld bij het uitlopen van een boom in het voorjaar. Floëem dat veroudert, verliest zijn geleidingsfunctie. Vaak worden het floëem en de schors samen de bast genoemd, aangezien er geen duidelijke scheiding is
tussen het niet meer functionele floëem en de schors.

Cambium

Dit is de delende cellaag in een boom die zorgt voor de diktegroei van de boom. Het cambium bestaat theoretisch uit één cellaag, maar in de realiteit ligt er een dunne band niet-gedifferentieerde cellen rond de hele boom. Deze is enkele cellagen dik. Het cambium vormt naar buiten het floëem en naar binnen het xyleem.

Curabo-Boom-Merg

Hout (xyleem)

Dit is het deel van de boom dat zorgt voor het watertransport van de wortels naar de bladeren. In het xyleem vindt dus een opwaartse waterstroom plaats. Het watertransport gebeurt
in lege dode cellen. Door het hout lopen vanuit de kern naar buiten zogenaamde ‘stralen’ van levende parenchymcellen. Deze houtstralen gaan door het cambium en verbinden het xyleem met het floëem. Samen met de verticale strengen van levende parenchymcellen vormen de houtstralen
één groot netwerk. Dit netwerk van levende cellen speelt een rol in het transport en de opslag van voedingsstoffen en de vorming van het kernhout.

Merg

In het centrum van de boom kan merg voorkomen. Dit restant van hooguit enkele mm breed zorgde voor stevigheid en watertransport in de jonge, eenjarige scheut. Vanaf het tweede jaar nemen de weefsels gevormd tijdens de secundaire groei die functies over en sterft het merg af, onmiddellijk of gespreid over enkele jaren.

Veel van de structuurelementen van een boom zijn nauwelijks te onderscheiden met het blote oog. Met een loep die 10x vergroot kunnen veel elementen of weefsels wel duidelijk waargenomen worden. Het juist interpreteren van wat je ziet is in veel gevallen moeilijker dan de waarneming zelf.

Bron: Technisch vademecum bomen. Harmonisch park -en groen beheer.